Lees het dagboek van Gert Jan Beute
Dagboek zaterdag 2 augustus 2025
2-8-2025
Overmand, dorstig en verloren
Zaterdag 19 juli. De jonge duiven gingen er om 07.30 uur uit in Weert. Een lossing van formaat: 12.356 duiven, ingemand door 513 hokken. Een gemiddelde afstand van 200 kilometer, met oostenwind. En dan weet je het: dat gaat problemen geven – zeker met jonge, onervaren duiven.
De snelste duif van de afdeling viel in Achlum om 10.04 uur, op 212 kilometer, met 1372 mpm. Maar dat was het hoogtepunt. Daarna zakte het in. In Harlingen stond het concours drie uur open, in Urk tot 15.32 uur. In Noordwolde klokten we pas om 13.27 uur de 122e prijsduif. Het werd een dramatische vlucht – van Terschelling tot Dronten, overal hetzelfde beeld.
Waarom? Omdat er keuzes zijn gemaakt die eigenlijk anders hadden gemoeten. Jonge duiven worden op vrijdagavond gehaald, vaak al ingezet rond 17.00 uur. Dan staan ze eerst uren op de vereniging, vervolgens naar Emmeloord. Meestal pas rond 23.00 uur gaat de rit richting losplaats Weert beginnen. Daar komen ze diep in de nacht aan. Wanneer staan de auto’s dan waterpas? Wanneer gaat het water erin? Krijgen alle duiven een eerlijke kans om te drinken?
In theorie wel. In de praktijk niet. De jongen die aan de kant van de waterbakken staan drinken misschien wat. De rest? Die staan vaak al 13 tot 14 uur in de mand zonder een druppel vocht. En dan is het al snel 07.30 uur. Tel daar de zenuwen en het duistere transport bij op en je hebt dorstige, gestreste duiven die uitgeput aan de vlucht beginnen.
En dan de containerverdeling. Te vaak is de bovenste rij niet leeg, de middelste rij ook niet. Alles propvol. Soms zie je acht rijen stampvol en dan ineens een rij bijna helemaal leeg. Dat is geen verdeling, dat is willekeur. Als er meerdere containers naar dezelfde losplaats gaan: zorg dan dat ze gelijk verdeeld zijn. Het helpt de doorstroming, het zuurstofgehalte, en voorkomt oververhitting.
Ook het water geven moet vaker. Zet de wagen neer, geef meteen water, en ververs dat meerdere keren. Iedere keer dat duiven het water horen lopen, worden ze gestimuleerd om te drinken. En vooral: begin eerder. Gooi wat snoepzaad op het water. Had men op donderdagavond ingemand, dan hadden de jongen op vrijdag kunnen rusten, drinken en tot zichzelf komen.
Wat kregen ze nu? Een lange, benauwde nacht, een paar uur rust en dan hup, de lucht in met oostenwind. Velen waren al op toen ze de lucht in gingen. De wind blies hen westwaarts, hun natuurlijke kompas raakte van slag. Ze kwamen bij het Markermeer, vlogen naar Noord-Holland, durfden het IJsselmeer niet over, keerden terug, soms richting Muiden of Weesp, op zoek naar huis. Maar de brandstof was op. De keel droog als schuurpapier. Ze gingen neer, hopend op redding.
De eersten die thuiskwamen zaten aan de andere kant van de Afsluitdijk – Harlingen, Makkum, Arum. Die hadden de kracht om over te steken. Maar vanaf Zürich moesten de anderen dan ook nog tegen de oostenwind in naar huis. Duiven vlogen uren om.
Wat had gemoeten? Simpel:
1. Inkorven op donderdagavond.
2. Vrijdag gebruiken voor verzorging, rust, zuurstof.
3. Lossen vanuit een oost- of zuidoostelijke losplaats, zoals Bochum of Wuppertal.
4. Een betere containerverdeling: rijen vrijlaten, luchtgaten houden, en eerlijke spreiding.
Maar nee, men denkt ‘kort’: zoveel mogelijk duiven in zo weinig mogelijk auto’s. Winst op papier. Maar de echte winst zit in het behouden van liefhebbers. Want hoe vaker jonge duiven sneuvelen, hoe meer mensen stoppen. En wat blijft er dan over?
Goede verzorging is geen luxe. Het is noodzaak. Zeker bij de jongen. Zeker met oostenwind.