Lees het dagboek van Gert Jan Beute
Dagboek dinsdag 14 juli 2026
14-7-2026
Deel 1
Zodra de eerste twee jonge duivenvluchten achter de rug zijn, zie je ieder jaar hetzelfde gebeuren. Facebook en WhatsApp staan vol met berichten van liefhebbers die de ene na de andere jonge duif missen. Natuurlijk spelen het weer, roofvogels en andere omstandigheden soms een rol. Toch ben ik er na tientallen jaren in de duivensport van overtuigd dat een groot deel van de verliezen al veel eerder ontstaat. Niet op de losplaats, maar thuis, tijdens de voorbereiding.
Ik zeg weleens: de eerste wedvlucht is niet het examen van de jonge duif, maar van de liefhebber. Wie zijn jongen maandenlang goed heeft voorbereid, vergroot de kans dat ze veilig thuiskomen. Wie daarin steken laat vallen, ziet dat vaak al tijdens de eerste vluchten terug.
Alles begint bij de kweek. Er wordt nog altijd gekweekt uit duiven die daar eigenlijk niet geschikt voor zijn. Soms uit slechte vliegers, soms uit internetaankopen waarvan niemand weet wat er werkelijk achter zit en soms uit duiven die zelf nooit een wedvluchtmand hebben gezien. Verwacht dan ook geen wonderen. Een jonge duif moet niet alleen snelheid erven, maar ook gezondheid, karakter, oriëntatie vermogen en stressbestendigheid.
Daarnaast betekent twee goede duiven nog niet automatisch een goede koppeling. Iedere duif heeft sterke en minder sterke eigenschappen. De kunst is juist om duiven zo tegen elkaar te zetten dat de pluspunten van de ene de minpunten van de andere opvangen. Goede kweek is nadenken en selecteren, niet zomaar twee mooie duiven bij elkaar zetten.
Na de kweek volgt de gezondheid. Een jonge duif die niet volledig gezond is, mag u eigenlijk niet opleren. Hij heeft daar zelf geen schuld aan. Als liefhebber moet u ervoor zorgen dat hij de grootst mogelijke kans krijgt om thuis te komen. Daarom werk ik graag samen met een goede duivenarts. Regelmatig controleren voorkomt vaak veel problemen.
Voor mij begint dat al direct na het spenen. Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat veel ellende voorkomen kan worden wanneer jonge duiven, in overleg met de dierenarts, tijdig tegen Rota in combinatie met PMV worden gevaccineerd. Ik hoor vaak: 'Ze kregen coli, dus ik kon niet beginnen.' Natuurlijk bestaat coli, maar vaak had de voorbereiding beter gekund. Wacht niet tot de problemen ontstaan, maar probeer ze vóór te zijn.
Ook het Geel, oftewel trichomoniasis, verdient alle aandacht. Jonge duiven moeten vrij zijn van het Geel voordat de opleiding begint. Hetzelfde geldt voor de koppen. Geen slijm, geen verstopte neusgaten, geen dichtzittende traanbuisjes en geen ornithose-achtige klachten of ontstekingen van de luchtwegen. Een jonge duif die niet vrij kan ademen, begint iedere africhting met een achterstand.
Ik zie gezondheid niet als een luxe, maar als de fundering onder de hele opleiding. Pas wanneer een jonge duif echt gezond is, kunt u eerlijk beoordelen wat hij in zijn mars heeft.
Er is nog iets waar ik veel waarde aan hecht: het hokklimaat. Naar mijn overtuiging bouwt een jonge duif zijn weerstand niet alleen op door vaccinaties en goede verzorging, maar ook door op te groeien in een stabiele omgeving. Wij gebruiken al jarenlang stro op onze hokken. Een deel wordt regelmatig vernieuwd, maar een deel blijft bewust liggen. In dat stro hebben generaties jonge duiven geleefd en geleidelijk hun natuurlijke weerstand opgebouwd.
Ik kan niet bewijzen dat dit de enige juiste manier is, maar ik geloof wel dat een stabiel hokklimaat een positieve bijdrage levert aan de gezondheid. Misschien is dat ook één van de redenen waarom wij de laatste jaren zonder problemen jonge duiven van andere liefhebbers bij onze eigen ploeg hebben kunnen zetten. Wanneer uw eigen jongen over een sterk immuunsysteem beschikken, kunnen zij veel beter omgaan met de bacteriën en micro-organismen die vreemde duiven meebrengen.
Een goed duivenhok hoeft voor mij geen ziekenhuis te zijn. Het belangrijkste is dat het droog is, goed ventileert en prettig aanvoelt voor de duiven. Een hok met droog stro, tabakstelen en een natuurlijk klimaat past, naar mijn mening, beter bij een jonge duif dan een hok dat twee keer per dag steriel wordt schoongemaakt. Jonge dieren moeten, binnen een gezonde omgeving, ook de kans krijgen om hun natuurlijke weerstand op te bouwen.
Wie de basis op orde heeft – goede kweek, gezonde ouders, een sterk immuunsysteem en een stabiel hokklimaat – heeft al een enorme voorsprong voordat de eerste jonge duif ooit een afdelingsmand heeft gezien.
Deel 2
Veel liefhebbers denken dat de opleiding van een jonge duif begint bij de eerste africhting. Ik kijk daar heel anders tegenaan. Voor mij begint de opleiding op het moment dat een jonge duif leert wat een afdelingsmand is. Die mand moet geen onbekend en beangstigend ding zijn, maar een vertrouwde plek waar rust, voer en water te vinden zijn.
Daarom beginnen wij al heel vroeg met mandtraining. Onze jonge duiven hoeven dan nog niet eens buiten te zijn geweest. Vanaf een leeftijd van ongeveer vier weken gaan ze al regelmatig in de grote afdelingsmanden. Niet één keer, maar iedere week opnieuw. Ze verblijven er een dag en soms zelfs een nacht. Ze krijgen er voer en leren dat de mand gewoon bij hun leven hoort.
Juist dat vroege wennen zie ik op veel hokken te weinig gebeuren. Een jonge duif die pas op de inkorfavond voor het eerst in een afdelingsmand komt, krijgt in één keer ontzettend veel nieuwe indrukken te verwerken. De drukte in het clublokaal, vreemde geuren, andere duiven en een onbekende mand zorgen samen voor onnodige stress.
Het leren drinken uit een drinkgoot is misschien nog wel belangrijker. Veel onervaren jonge duiven weten eenvoudigweg niet waar het water hangt. Daarom laat ik thuis het water altijd hoorbaar in de drinkgoot stromen. Dat geluid trekt direct de aandacht. Vervolgens strooi ik wat snoepzaad of enkele pinda's op het water. Uit nieuwsgierigheid steken de jongen hun snavel in het water en leren ze spelenderwijs drinken.
Daarnaast zorg ik ervoor dat iedere jonge duif zich leert verplaatsen in de mand. Met mijn arm of een dunne lat laat ik de jongen rustig door elkaar lopen. Ze moeten niet bang blijven staan waar ze toevallig terecht zijn gekomen. Iedere duif moet een keer bij de drinkgoot hebben gestaan en weten waar het water te vinden is.
Hier thuis pakken we de jongen eerst in onze gewone manden. Daarna gaan ze op een karretje naar de bestelbus. In de bus staan drie of vier afdelingsmanden opgestapeld, met voldoende ruimte voor ventilatie. De drinkgoten hangen er al aan. Eerst liggen er wat snoepzaad en een paar pinda's in. Zodra de jongen vanuit de gewone mand naar de afdelingsmand lopen, rennen ze vrijwel direct naar achteren omdat ze weten dat daar iets lekkers ligt.
Pas wanneer alle jonge duiven in de mand zitten, giet ik van enige hoogte water in de drinkgoten. Ze moeten het water horen stromen. Daarna strooi ik opnieuw wat zaad op het water. Zo leren ze niet alleen waar het water zit, maar ook dat drinken in een reismand heel normaal is.
Ook autoritten horen bij de opleiding. Veel liefhebbers denken dat je alleen moet rijden om jonge duiven te lossen. Ik neem ze juist al mee voordat ze echt worden afgericht. Ze gaan mee wanneer we boodschappen doen, familie bezoeken of ergens op visite gaan. Ze leren optrekken, remmen, bochten, rotondes en langere ritten kennen. Daarna gaan ze gewoon weer terug in hun eigen hok. De mand en de auto worden zo een vertrouwde omgeving.
Hebt u geen ruimte voor afdelingsmanden in de auto, gebruik dan in ieder geval manden waaraan drinkgoten kunnen worden bevestigd. Het belangrijkste is dat jonge duiven leren dat ook onderweg voer en water beschikbaar zijn.
Ik hoor vaak: 'Ik heb daar geen tijd voor.' Toch is daar een oplossing voor. Werk samen met clubgenoten. Er is bijna altijd wel iemand die een paar ritjes maakt. Of neem de jonge duiven op donderdag mee naar het clublokaal wanneer de oude duiven worden ingekorfd. Nadat de vrachtwagen is vertrokken, zet u de jongen in een afdelingsmand. Hang drinkgoten aan de mand en verzorg ze op vrijdag en zaterdag met voer en vers water. Laat ze zich regelmatig verplaatsen, zodat iedere jonge duif meerdere keren bij de drinkgoot komt.
Na het afslaan van de klokken gaan de jonge duiven weer mee naar huis. Ze hebben dan twee nachten in een afdelingsmand gezeten zonder één meter te hoeven vliegen. Ze hebben geleerd waar voer en water te vinden zijn en ervaren dat een verblijf in een afdelingsmand helemaal niet eng hoeft te zijn.
Voor mij is dat de echte voorbereiding. Een jonge duif die de mand kent, weet waar het water hangt en vervoer als iets normaals ziet, begint met veel meer zelfvertrouwen aan zijn eerste africhtingen.
Deel 3
Wanneer de basis op orde is, begint het echte opleiden. Bij ons start dat wanneer de jonge duiven ongeveer honderd dagen oud zijn. De eerste keer rijden we misschien maar vijfhonderd meter, de tweede keer één kilometer. De afstand is in het begin helemaal niet belangrijk. Het gaat om de ervaring: in de mand, uit de mand en vervolgens weer veilig naar huis.
Dit jaar hadden wij voor het eerst drie verschillende leeftijden bij elkaar. De jongsten waren nog maar ongeveer acht weken oud toen de oudste groep al aan het opleren begon. Eigenlijk waren die jongsten bedoeld voor de natour, maar ik besloot ze toch bij de grote ploeg te zetten. Vanaf de eerste dag ging dat zonder problemen. Ook zij gingen mee op de eerste korte ritjes en leerden spelenderwijs wat thuiskomen betekent.
Veel liefhebbers zijn blij wanneer de hele ploeg als één grote koppel thuiskomt. Dat ziet er prachtig uit, maar persoonlijk leer ik liever iets anders. Wanneer een groep steeds gesloten thuiskomt, oriënteren veel jonge duiven zich vooral op elkaar. Ze hoeven nauwelijks zelfstandig na te denken.
Ik zie daarom liever dat een ploeg onderweg uit elkaar valt. U komt thuis van een africhting en er zit nog niets. Even later valt de eerste duif. Daarna duurt het weer een tijd voordat de volgende komt. Misschien komen er twee of drie samen en later opnieuw één. Soms is aan het einde van de middag pas driekwart thuis en melden de laatsten zich pas de volgende dag. Juist die jonge duiven hebben het zelf opgelost. Ze hebben zelf gezocht, zelf gekozen en zelf de weg naar huis gevonden.
Dat betekent niet dat iedere jonge duif zal slagen. Op ieder hok zitten wegblijvers. Maar die ontdekt u liever tijdens een eigen africhting dan tijdens de eerste wedvlucht. Kijk daarom niet alleen naar het aantal dat wegblijft, maar vooral naar het aantal dat zelfstandig thuiskomt. Dat zijn de duiven waarop u later kunt bouwen.
Een jonge duif die tijdens het opleren niet volledig gezond is, heeft daar zelf geen schuld aan. Hij moet vrij zijn van het Geel, schone koppen hebben en zonder problemen kunnen ademen. Pas dan krijgt hij een eerlijke kans om zijn kwaliteiten te laten zien. Blijf daarom samenwerken met uw dierenarts en controleer uw jonge ploeg regelmatig.
Al ruim vijftien jaar pleit ik ervoor om de eerste ervaring in een afdelingscontainer bij voorkeur twee nachten mand te laten zijn. Dat klinkt misschien vreemd, maar denk er eens rustig over na. Gaan de jonge duiven op donderdag in de mand, dan krijgen ze op vrijdag voer. Daarna krijgen ze dorst en gaan ze op zoek naar water. Ze hebben vervolgens de hele vrijdag en de zaterdagochtend om de drinkgoten te ontdekken en zich vrij door de mand te bewegen.
Bij één nacht mand ontbreekt die tijd vaak. De jonge duif wordt op vrijdagavond ingekorfd. Daarna volgt het vervoer naar het verzamelpunt, een korte rustperiode, de rit naar de losplaats en vervolgens de voorbereiding op de lossing. De bange jonge duif die bij het inkorven vooraan bleef staan, staat daar vaak nog steeds. Hij heeft het water misschien nooit gevonden. Wordt zo'n duif gelost, dan vertrekt hij al met een achterstand. Dorst, stress en onervarenheid vormen samen een slechte combinatie.
Juist daarom geloof ik dat twee nachten mand veel jonge duiven kunnen helpen. Niet omdat ze dan harder vliegen, maar omdat ze rustiger, beter gehydrateerd en met meer vertrouwen aan hun eerste vlucht beginnen.
Als ik alles wat ik in tientallen jaren heb geleerd in één zin zou moeten samenvatten, dan zou ik zeggen: goede jonge duiven worden niet gemaakt op de eerste wedvlucht. Ze worden gemaakt in de weken en maanden daarvoor. De kweek, de gezondheid, het hokklimaat, de mandtraining, het leren drinken, het vervoer en het rustige opleren vormen samen de opleiding van een jonge duif.
Misschien voorkomt u daarmee niet ieder verlies. Dat zal niemand lukken. Maar ik ben er wel van overtuigd dat u het aantal verliezen aanzienlijk kunt beperken. Uiteindelijk is dat niet alleen beter voor de prestaties, maar vooral voor het welzijn van onze jonge duiven.
Ik hoop dat deze praktijkervaringen liefhebbers aan het denken zetten. Niet omdat mijn manier de enige juiste is, maar omdat ik in de praktijk heb gezien hoeveel verschil een goede voorbereiding kan maken. Geef jonge duiven de tijd om te leren, de kans om weerstand op te bouwen en de gelegenheid om vertrouwen te krijgen in de mand, het vervoer en zichzelf. Dan begint de eerste wedvlucht niet met onzekerheid, maar met een eerlijke kans om veilig thuis te komen.
Terug