Lees het dagboek van Gert Jan Beute

Column 'onderweg'

26-8-2026

Wat kan een postduif onderweg
allemaal overkomen?

Een onderzoekende column over de onzichtbare reis van de losplaats naar het thuisfront met medewerking van ChatGPT

Wanneer op de losplaats de deuren opengaan, begint voor een postduif een reis waarvan wij als liefhebbers slechts het begin en hopelijk het einde zien. Wat zich tussen de losplaats en het hok afspeelt, blijft meestal verborgen.

Niet iedere achterblijver is verdwaald

Een duif die niet thuiskomt, wordt al snel een ‘verloren duif’ genoemd. Maar niet iedere achterblijver is verdwaald. Onderweg wachten roofvogels, hoogspanningsdraden, windturbines, verkeer, glas, slecht weer en nog veel meer gevaren. Soms werken verschillende oorzaken zelfs samen: een roofvogelaanval kan een groep uit koers jagen, waarna duiven laag gaan vliegen en tegen draden, glas of verkeer terechtkomen.

De slechtvalk: de aanval vanuit de hoogte

Een van de gevaarlijkste natuurlijke vijanden van de postduif is de slechtvalk. Deze roofvogel jaagt voornamelijk in de lucht. Hij kan hoog boven een overtrekkende groep duiven hangen, een slachtoffer uitkiezen en zich vervolgens met enorme snelheid naar beneden laten vallen.

Tijdens zo’n stootduik kan een slechtvalk een snelheid van meer dan 300 kilometer per uur bereiken. Hij probeert de duif met zijn klauwen te grijpen of met grote kracht uit de lucht te slaan. Zelfs wanneer een aangevallen duif niet direct wordt gegrepen, kan zij door de klap, de schrik of een wilde uitwijkmanoeuvre gewond raken of van de groep worden gescheiden.

Een aanval heeft bovendien gevolgen voor de hele groep. De duiven schieten uiteen, veranderen plotseling van richting of vliegen in paniek omlaag. Vooral jonge en onervaren duiven kunnen daarna moeite hebben om opnieuw de juiste vlieglijn te vinden.

Slechtvalken kunnen op één dag meerdere jachtpogingen ondernemen en soms ook meer dan één prooi bemachtigen. Tijdens de broedtijd moeten het paar en later ook de jongen worden gevoerd. Prooien kunnen worden opgeslagen om later te worden gegeten. Bij de balts laat het mannetje met snelle vluchten en luchtacrobatiek zijn vliegvaardigheid zien en kan hij een gevangen prooi aan het vrouwtje overdragen. Dat slechtvalken meerdere duiven uitsluitend zouden doden om te laten zien dat zij het kunnen, kan wetenschappelijk echter niet als algemene regel worden bevestigd.

Dat postduiven werkelijk een belangrijk onderdeel van het menu kunnen vormen, blijkt uit onderzoek. In een onderzochte populatie werd geschat dat 92 procent van de door slechtvalken gedode duiven uit postduiven bestond. Schots onderzoek berekende dat slechtvalken mogelijk verantwoordelijk waren voor 13 tot 40 procent van alle verliezen onder Schotse postduiven. Dat percentage kan niet zonder meer naar Nederland worden vertaald, maar het laat zien dat roofvogeldruk geen verzonnen probleem is.

Havik en sperwer

Ook de havik is in staat een postduif te grijpen. De havik jaagt anders dan de slechtvalk. Hij gebruikt bomen, bosranden, gebouwen en andere dekking om zijn prooi te verrassen. Hij kan een duif vanuit een hinderlaag achtervolgen en zowel in de lucht als dicht bij de grond slaan. Onderzoek naar het menu van haviken bevestigt dat duiven een belangrijk deel van hun prooien kunnen vormen; ook geringde postduiven zijn tussen de prooiresten aangetroffen.

De sperwer is kleiner. Vooral het sperwervrouwtje kan een duif aanvallen; voor het kleinere mannetje is een volwassen postduif doorgaans een zeer grote prooi. Aanvallen worden vooral gemeld rond het hok, bij het landen en op plaatsen waar duiven kwetsbaar zijn. Een vermoeide duif die onderweg aan de grond komt om te rusten of te drinken, heeft minder snelheid en minder ruimte om te ontsnappen.

Niet iedere aanval eindigt met een gedode duif. Een duif kan veren verliezen, verwondingen aan borst of rug oplopen of in paniek tegen een hek, boom, draad of gebouw vliegen. Sommige komen dagen later thuis met een open rug, beschadigde vleugel of ontbrekende staartpennen. Andere verdwijnen zonder dat de liefhebber ooit te weten komt wat er is gebeurd.

Hoogspanningsdraden: dun en moeilijk zichtbaar

In Frankrijk, België en Nederland liggen op verschillende vlieglijnen hoogspanningsleidingen en andere bovengrondse kabels. De masten zijn groot en meestal zichtbaar, maar de draden vormen het werkelijke gevaar. Vooral dunnere bovenste bliksemdraden kunnen tegen een bewolkte lucht, bij tegenlicht, nevel of regen moeilijk worden waargenomen.

Wanneer een groep met hoge snelheid op een leiding afvliegt, zullen de kopduiven het gevaar mogelijk nog op tijd herkennen en uitwijken. De duiven direct daarachter zien vooral de vogels voor zich. Pas wanneer de voorste duiven plotseling omhooggaan, afdraaien of uiteenwijken, komt de draad in beeld. Dan kan de reactietijd te kort zijn.

Het is te vergelijken met een valpartij in de wielersport. De renners vooraan zien het obstakel of de eerste gevallen renner en kunnen soms nog remmen of uitwijken. De renners vlak daarachter hebben nauwelijks zicht en rijden met hoge snelheid de valpartij in. Niet omdat zij minder goed sturen, maar omdat zij te weinig tijd en ruimte hebben om te reageren.

Bij duiven kan hetzelfde kettingeffect ontstaan. De eerste vogels ontwijken de leiding, terwijl vogels uit het midden tegen een draad botsen. Een botsing kan dodelijk zijn, maar ook een gebroken vleugel, beschadigde borst, inwendige bloeding of tijdelijke desoriëntatie veroorzaken. Onderzoek bevestigt dat bovengrondse elektriciteitsdraden wereldwijd een belangrijke bron van vogelsterfte zijn. Opvallende draadmarkeringen kunnen het aantal botsingen aanzienlijk verminderen.

Windturbines op de vlieglijn

Windturbines vormen een ander modern obstakel. Een postduif kan in aanraking komen met een draaiende wiek, de mast of andere delen van de installatie. De uiteinden van grote rotorbladen bewegen veel sneller dan het vanaf de grond lijkt.

In slachtofferregistraties zijn zowel rots-/stadsduiven als houtduiven onder windturbines aangetroffen. Een internationale inventarisatie vermeldde 134 rotsduiven en twaalf houtduiven. Daarbij werd niet vastgelegd hoeveel rotsduiven geringde postduiven waren.

In de Eemshaven zagen trektellers rechtstreeks hoe een houtduif uit een passerende groep door een draaiende wiek werd geraakt en op de grond viel. Ongeveer een week later was het slachtoffer verdwenen. Karkassen kunnen door roofdieren en aaseters worden meegenomen, in begroeiing verdwijnen of buiten het afgezochte gebied vallen. Daardoor blijven tellingen onvolledig.

Ook hier kan het groepsverband een rol spelen. De voorste duiven herkennen de turbine en wijken uit, maar duiven vlak daarachter reageren later. Hoeveel wedstrijdduiven jaarlijks worden geraakt, is onbekend. Ringnummers en de status van gevonden duiven worden niet overal systematisch geregistreerd.

Vrachtwagens, auto’s en treinen

Bij tegenwind vliegen postduiven dikwijls lager om beschutting te zoeken en minder energie te verbruiken. Ze volgen dan bomenrijen, kanalen, spoorlijnen, dijken of wegen. Ook bij regen, laaghangende bewolking en vermoeidheid kan de vlieghoogte afnemen.

Dan ontstaat het gevaar van verkeer. Een duif die laag over een weg vliegt, kan tegen een vrachtwagen, bestelbus, personenauto of motor terechtkomen. Vooral bij snelwegen en provinciale wegen is het snelheidsverschil enorm. Een vrachtwagencombinatie kan bovendien luchtwervelingen veroorzaken waardoor een laagvliegende duif uit balans raakt.

Ook spoorlijnen vormen een risico. Een uitgeputte duif kan op of naast de rails gaan zitten, terwijl een laagvliegende duif met een trein of bovenleiding in botsing kan komen. Een deel van deze slachtoffers wordt nooit gevonden of herkend als wedstrijdduif.

Ramen, glazen gebouwen en kassen

Glas is voor vogels een verraderlijk obstakel. Een raam kan de lucht, bomen of het landschap weerspiegelen, waardoor een duif geen massieve wand ziet maar een schijnbaar vrije vliegroute. Bij doorzichtige constructies kan de vogel denken dwars door het gebouw te kunnen vliegen.

Grote ramen van bedrijfspanden, geluidsschermen, glazen overkappingen en uitgestrekte kassengebieden vormen daarom een risico, vooral wanneer duiven laag vliegen, opgejaagd worden of door slecht zicht pas laat beseffen dat er een gebouw staat.

Een botsing kan onmiddellijk dodelijk zijn, maar een duif kan ook met hersenletsel, een beschadigd oog, een gebroken vleugel of inwendige verwondingen achterblijven. Soms zit zij uren versuft op de grond en vliegt later alsnog verder. De liefhebber ziet dan alleen dat zij veel te laat thuiskomt.

Het weer als sluipende tegenstander

Niet alle gevaren zijn tastbaar. Tegenwind, warmte, uitdroging, slagregens, onweer, mist en laaghangende bewolking kunnen een vlucht langzaam ontregelen.

Bij hoge temperaturen en onvoldoende vocht verliest een duif lichaamsgewicht en loopt haar lichaamstemperatuur op. Langdurige tegenwind vraagt extra energie. Regen maakt het verenpak zwaarder en kan de isolerende werking verminderen. Mist en lage bewolking beperken het zicht en bemoeilijken mogelijk de herkenning van landschappelijke oriëntatiepunten.

Een vermoeide of uitgedroogde duif gaat lager vliegen, maakt vaker fouten en reageert trager op draden, verkeer en roofvogels. De risico’s staan dus niet los van elkaar: slecht weer kan de kans op een botsing of roofvogelaanval vergroten.

Uiteenvallen van de groep en verkeerd meetrekken

Na de lossing vliegen duiven vaak eerst in grote groepen. Onderweg moeten zij zich steeds verder verdelen naar hun eigen regio en uiteindelijk naar hun eigen hok. Dat proces gaat niet altijd goed.

Jonge duiven kunnen te lang met een verkeerde groep meegaan. Een aanval, onweersbui, sterke zijwind of plotseling slecht zicht kan een groep uiteenbreken. Een duif die alleen komt te vliegen, moet daarna zelf opnieuw haar richting bepalen.

Sterke zijwind kan duiven tientallen kilometers uit de oorspronkelijke vlieglijn drukken. Wateroppervlakten, stedelijke gebieden en onbekend terrein vormen vervolgens nieuwe hindernissen. Sommige herstellen hun koers en komen uren of dagen later thuis; andere sluiten zich bij vreemde duiven aan of belanden op een ander hok.

Mensen vormen eveneens een risico

Ook menselijk handelen kan een rol spelen. Postduiven kunnen worden gevangen, opgesloten raken in schuren of loodsen, verstrikt raken in netten of op sommige plaatsen worden beschoten. Een verdwaalde duif die ergens landt om te drinken, wordt niet altijd geholpen. Soms wordt een ring wel afgelezen maar wordt de eigenaar nooit ingelicht.

Daarom is een achtergebleven duif niet automatisch dood. Sommige zitten uitgeput of gewond langs de route, herstellen en hervatten later hun reis. Andere worden opgevangen en pas na dagen gemeld.

De onzichtbare reis

De weg van de losplaats naar het hok is geen rechte, lege baan door de lucht. Het is een route vol natuurlijke en menselijke gevaren. De postduif moet omgaan met roofvogels, weersveranderingen, windturbines, hoogspanningsdraden, verkeer, glas, grote wateroppervlakten en de bewegingen van duizenden andere duiven.

Dat maakt het moeilijk om na een zware vlucht één oorzaak voor alle verliezen aan te wijzen. Een duif kan door de wind uit koers zijn geraakt, vervolgens door een slechtvalk zijn aangevallen en tijdens de vluchtpoging tegen een draad zijn gevlogen. Een andere kan door warmte en dorst zijn gaan zitten en bij een drinkplaats door een roofvogel zijn gepakt. Weer een andere leeft nog, maar zit gewond of uitgeput honderden kilometers van huis.

Wij zien op zaterdag de lossing en later de aankomsten. Daartussen ligt een wereld die voor de liefhebber grotendeels onzichtbaar blijft. Daarom moeten we voorzichtig zijn met grote uitspraken over aantallen dode of voorgoed verloren duiven. Niet iedere achterblijver is dood en niet ieder verlies heeft dezelfde oorzaak.

Wat we wél weten, is dat een postduif onderweg veel meer kan overkomen dan alleen verdwalen. Iedere duif die na een moeilijke vlucht uiteindelijk op de klep valt, heeft niet alleen de afstand overwonnen, maar ook alle gevaren die zij onderweg is tegengekomen.

 

Terug